0648
Hervormde Gemeente Lichtenvoorde, 1625-2000
Inleiding
1.1. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Hervormde Gemeente te Lichtenvoorde 1.1.1. Het ontstaan van de Hervormde Gemeente *
In de 15e eeuw worden in het oude kerspel Groenlo twee kapellen opgericht. De oudste is die van Vragender op een afstand van twee uur gaans van de parochiekerk van Groenlo. De grote bevolkingsagglomeratie en de verre afstand van Groenlo zijn wel de voornaamste oorzaken geweest van het ontstaan van deze kapel. Over de inkomsten van en diensten in deze miskapel wordt op 23 oktober 1441 tussen de pastoor van Groenlo en Otto van Bronckhorst-Borculo een overeenkomst gesloten. Hierin wordt bepaald dat de inkomsten van de kapel toekomen aan een priester die driemaal per week, ook op zondag, in de kapel een H. Mis zal opdragen. De pastoor van Groenlo en zijn opvolgers behouden de parochierechten.
In 1496 volgt de stichting van de kapel te Lichtenvoorde, dat ook twee uur gaans van de kerspelkerk verwijderd ligt. De Bronckhorsten hebben hier een burcht, waarbij zich het stedeke Lichtenvoorde ontwikkelt. Deze kapel is bestemd voor de inwoners van Lichtenvoorde en degenen die in de onmiddellijke nabijheid wonen. Frederik van Brockhorst-Borculo laat de kapel bouwen en met toestemming van de pastoor van Groenlo, Paschasius Wilkens, wordt de kapel ingewijd. In een verklaring van 20 juni 1496 getuigt Frederik van Bronckhorst-Borculo, dat de oprichting van deze miskapel geen inbreuk betekent op de parochierechten van Groeno. Beide kapellen worden enkel gesticht om de omwonenden het bijwonen van de H. Mis te vergemakkelijken.
In bovengenoemde verklaring wordt uitdrukkelijk het begrafenisrecht, het dooprecht, het toedienen van de sacramenten en het recht om te preken niet toegestaan, tenzij met speciale vergunning van de pastoor te Groenlo, die ook de inkomsten behoudt zoals hij die vanouds uit Lichtenvoorde en omgeving trekt. De kapel is toegewijd aan St. Anthonis Abt en is een zogenaamde burchtkapel geweest, die vlak bij het kasteel van de Bronckhorsten is gebouwd. De kapel wordt bediend door achtereenvolgens J. Leemhuys (1496-1520), Th. Fabri (1520), P. Haeffken (overl. 1550), G. Haeffken (1550-1563), G. tho Grote (1563-1602) en heer Berndt (1602-1614). In de loop van de 16e eeuw is het een filiaalkerk met enige parochierechten. Over deze ontwikkeling wordt in de 18e eeuw een heftig dispuut met de parochiekerk te Groenlo gevoerd.
Naast het kerkelijk gebeuren heeft met name de politiek-staatkundige ontwikkeling van de Graafschap een rol gespeeld bij het ontstaan van de hervormde gemeente te Lichtenvoorde. Het gebied van de parochie Groenlo, behalve de stad en het schependom, vormt in de 15e eeuw met de parochiegebieden Geesteren, Eibergen en Neede de heerlijkheid Borculo.
De wereldlijke jurisdictie over de heerlijkheid Borculo, bestaande uit de vier voogdijen Eibergen, Beltrum, Geesteren en Neede, behoort in de 15e eeuw aan leden van het geslacht van Bronckhorst, die de leenheerschappij in 1406 overdragen aan de bisschop van Münster. Als geestesopvolgers van de missionaris Ludger, die zich in de 8e eeuw in de Graafschap met christianiseringswerkzaamheden bezighield, valt hen de geestelijke jurisdictie over deze streken eveneens toe. In 1420 ontvangt Otto van Bronckhorst de heerlijkheid Borculo van de bisschop van Münster in leen terug. Wanneer in 1553 Joost van Bronckhorst-Borculo kinderloos overlijdt, trekt bisschop Wilhelm van Ketteler de heerlijkheid als opengevallen leen aan zich. De gravin-weduwe Maria van Hoya behoudt door een overeenkomst met de erfgename Ermgand van Wisch het vruchtgebruik onder de uitdrukkelijke bepaling, dat dit geen nadeel zal doen aan de rechten van de bisschop.
De aanspraken van Ermgard van Wisch op de heerlijkheid Borculo worden in 1570 door een scheidsrechterlijke uitspraak van de juridische faculteit van de universiteit van Straatsburg nietig verklaard. Ermgard van Wisch laat haar aanspraken na aan haar kleinzoon Joost van Limburg Stirum. Na het overlijden van Maria van Hoya in 1579 stelt de bisschop van Münster zich in het bezit van de heerlijkheid. Wanneer Joost van Limburg Stirum met zijn pogingen om de heerlijkheid te verkrijgen geen succes heeft in Münster, wendt hij zich tot de Staten van Gelre met de bewering dat Borculo onder Gelre en Zutphen valt. Daarmee is de kwestie Borculo geboren.
Het gaat nu om de vraag of Borculo onder de jurisdictie van Gelre en Zutphen valt of niet. Beide partijen komen met hun argumenten voor of tegen. In 1613 begint te Arnhem het proces tussen Joost van Limburg Stirum en de bisschop van Münster. De aanspraken van Münster zijn over het algemeen beter gemotiveerd. Het doorslaggevende argument ten gunste van de bisschop is echter het feit, dat wanneer Joost van Bronckhorst-Borculo rond 1550 in de heerlijkheid Borculo de Augsburgse Confessie invoert, hij dit onbelemmerd kan doen. Wanneer Karel V of Philips II als hertogen van Gelre en graven van Zutphen enige heerlijkheidsrechten op Borculo zouden bezeten hebben, zou in de heerlijkheid Borculo geen sprake geweest zijn van een openlijke invoering en vestiging van de Augsburgse Confessie. Er is echter tegen de lutheranisering van de heerlijkheid geen enkele actie gevoerd. Borculo viel immers niet onder Gelre en Zutphen. Reeds vóór de uitspraak in het proces (1615) laat vanaf 1612 Gelre zich in Borculo gelden, waartegen de onmachtige keizer van het Duitse Rijk alleen maar kan protesteren.
Het Hof van Gelre verwerpt op 19 november 1613 de rechten van de bisschop van Münster. Het Hof veroordeelt op 20 september 1615 bij verstek de bisschop om Joost van Limburg Stirum in het bezit van huis en heerlijkheid Borculo te stellen. De bisschop ontruimt de heerlijkheid echter niet, maar verzuimt zij pretenties krachtig te handhaven door een onvoldoende militaire bezetting in Borculo en Lichtenvoorde te leggen. Aan de Borculose kwestie komt tenslotte door gewelddadig ingrijpen voorlopig een einde. Lichtenvoorde blijft rechtstreeks onder Münster tot op 10 januari 1616 troepen van de Staten van Gelre onder leiding van kapitein Kreijnck Lichtenvoorde bezetten. Op 25 februari 1616 volgt Borculo. Zo wordt Joost van Limburg Stirum met geweld in het bezit gesteld van de heerlijkheid. In deze gewelddadige inbezitname moet Münster voorlopig berusten. Later zal vorstbisschop Chr. Bernard von Galen zijn aanspraken op de verloren gegane heerlijkheid met nieuwe argumenten hernieuwen en kracht bijzetten, zodra de politieke situatie in en buiten het bisdom voor hem gunstig is.
Door de politieke omwenteling, waaruit in 1616 tevens een afzonderlijke heerlijkheid Lichtenvoorde ontstaat, wordt de kapelaan van de twee miskapellen, die door het Hervormd Classicaal bestuur te Zutphen wordt gewantrouwd en verguisd om zijn duivelse praktijken en toverijen, uit zijn ambt gezet. De bediening van de kapel wordt dan opgedragen aan de eerste Lichtenvoordse predikant, ds. Th. Cuijminck. De hervorming doet haar intree in de heerlijkheid en heeft het ontstaan van de hervormde gemeente bevorderd.
Inventaris
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||