Uw zoekacties: Hervormde Gemeente Lichtenvoorde, 1625-2000
 0648 Hervormde Gemeente Lichtenvoorde, 1625-2000
 
 
Zoek in deze archieftoegang
 
 
 
 
 
Inleiding
1.1. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Hervormde Gemeente te Lichtenvoorde
1.2. Een stichtingsgeschiedenis van kerkelijke gebouwen
1.3. Over het kerkelijk personeel
1.3.4. De schoolmeester en de weg naar het bijzonder onderwijs
0648 Hervormde Gemeente Lichtenvoorde, 1625-2000
1. Inleiding
1.3. Over het kerkelijk personeel
1.3.4. De schoolmeester en de weg naar het bijzonder onderwijs
De broeders van het tot de Windesheimer Congregatie behorend klooster Nazareth of Schaer schijnen zich niet met onderwijs bezig gehouden te hebben *  . Hoewel de meningen hierover verschillen is afdoend schriftelijk bewijs nog niet geleverd *  .
Een tweede onderwijsvorm, namelijk die van paedagoog of huisonderwijzer, zal zowel vóór als na de reformatie meer uitzondering dan regel zijn geweest *  .
Een Latijnse school heeft hier nooit bestaan, zodat alleen de plaatselijke kerk overbleef om het christelijk volksonderwijs te stimuleren en gestalte te geven. De eerste gegevens over het dorpsonderwijs in de 17e en 18e eeuw treffen we dan ook aan in kerkelijke archieven.
De aanstelling van de schoolmeester geschiedde door de heer van de heerlijkheid, op voordracht van de kerkenraad. Dit heerlijkheidsrecht vervalt na de afkondiging van de Staatsregeling van 1798, want in 1801 wordt de benoeming tot schoolmeester, koster en kerkmeester verricht door het bestuur van de gemeente Bredevoort, waar Lichtenvoorde dan deel van uitmaakte *  .
Ui het bovenstaande blijkt, dat de schoolmeester meerdere ambten in zich verenigd had, waarvan die van voorzanger en voorlezer wel het minst bekend zijn.
Deze situatie, waarbij verschillende ambten door één persoon werden bediend, heeft vrij lang geduurd. De scheiding tussen het schoolmeester-en kosterschap komt pas na veel strijd in 1845 tot stand, terwijl het voorlezers-en voorzangersambt in 1912 wordt afgeschaft wanneer J. Heuzinkveld de overleden J.W. Straks als organist opvolgt *  .
De inkomsten van de schoolmeester bestaan in 1796 uit een traktement van f. 75, 00 per jaar, hetgeen wordt uitbetaald door de rentmeester van de geestelijke goederen. Uit de donatie van een hervormde familie ontvangt hij het derde gedeelte van op het land der familie verbouwd koren, terwijl de heer en de geërfden van de heerlijkheid hem een stuk land en een hofje tot onderhoud hadden geschonken. Het voorlezers-en voorzangersambt wordt door hem gratis vervuld.
Zijn werkzaamheden als koster worden vergoed door ontvangsten in natura uit diverse landerijen die hij merendeels zelf bebouwt, door een donatie in koren en door betaling in stuivers voor werkzaamheden te verrichten bij het dopen van kinderen (3 st.), het aantekenen van lidmaten (2 st.), het assisteren bij huwelijken (8 st.) en het verzorgen van begrafenissen van volwassenen (12 st.) en kinderen (6 st.) *  .
Deze salarissen werden in de loop der jaren geleidelijk verhoogd.
Zoals boven reeds verwoord, was de schoolmeester tevens koster. De woning, die hij bewoont doet-zeker tot in de 19e eeuw-tevens dienst als schoolhuis. Precieze gegevens over de bouw van en de reparaties aan vermeld pand of panden ontbreken *  . De drie stadsbranden die Lichtenvoorde in 1684, 1735 en 1868 teisterden hebben hier het nodige aan bijgedragen *  .
Het volledig ontbreken van met name bewijzen van eigendom hebben zelfs gedurende de jaren 1842-1845 geleid tot een slepend conflict met het gemeentebestuur over het bezit van de kosterswoning annex schoolhuis. Aanleiding tot dit conflict was de benoeming door burgemeester en wethouders van een rooms katholieke onderwijzer tot hoofd der school end e lastgeving tot ontruiming van de kosterswoning annex schoolhuis.
De kerkenraad, die na het overlijden van G.H. Schepers op 26 januari 1842 de ondermeester J.D. Hoitink voor de post van schoolmeester heeft voorgedragen, reageert geschokt op deze schending van het recht van voordracht, verklaart dat de posten van schoolmeester en koster verenigd moeten blijven en volhardt in haar standpunt dat Hoitink voldoende bekwaam is om te worden benoemd, dat vermelde woning deel uitmaakt van de kosterijgoederen en dat niet tot ontruiming zal worden overgegaan *  .
Het advies van de Minister voor de Zaken van de Hervormde Eredienst om een rechterlijk geding niet aan te vangen of af te wachten wordt uiteindelijk opgevolgd en leidt in 1845 tot een scheiding in het schoolmeesters-en kostersambt, een ontruiming van de kosterswoning annex schoolhuis en tot een steeds meer afnemende invloed op het openbaar volksonderwijs *  .
Deze ministeriële beslissing komt tot stand in een periode, waarin in de landelijke politiek overheidsinvloed op het openbaar volksonderwijs gestimuleerd wordt; een invloed die verder wordt vergroot door de inwerkingtreding van een tweetal onderwijswetten in 1857 en 1878.
Tegen deze overheidsinvloed rijzen bij katholieke en protestantse groeperingen steeds grotere bezwaren. Weliswaar leiden volgens de wet de openbare scholen hun pupillen op tot "alle maatschappelijke en christelijke deugden", van enig leerstellig onderwijs is geen sprake en dat is juist wat de tegenstanders van openbaar onderwijs willen, ieder volgens zijn eigen religieuze richting.
Regering en voorstanders van de bijzondere niet door de overheid beïnvloedde school komen in de loop van de 19e eeuw steeds heviger met elkaar in botsing: de schoolstrijd (1840-1920).
In de eerste fase is vooral vrijheid van onderwijs inzet van de strijd, maar nadat die bij de grondwet van 1848 geregeld is, werd het doel de financiële gelijkstelling van de bijzondere school ten opzichte van de openbare. Zonder deze financiële gelijkstelling of beter gezegd: zonder overheidssubsidie zou ontplooiing van het bijzonder onderwijs onbetaalbaar en dus onmogelijk zijn. Deze fel bevochten financiële gelijkstelling wordt uiteindelijk in 1920 bereikt *  .
De Lichtenvoordse gemeenschap heeft betrekkelijk weinig gemerkt van deze schoolstrijd. Op de enige openbare school werkten katholieke en protestantse leerkrachten gezamenlijk aan de maatschappelijke ontwikkeling van hun leerlingen. Echter in 1911 ontstaat onder het protestantse deel van de bevolking enige beroering, nadat bekend wordt dat een rooms katholieke school zou worden gebouwd. In de openbare school zouden dan alleen de protestantse kinderen overblijven, terwijl het hervormd onderwijzend personeel van het katholieke schoolhoofd de raad had gekregen elders te solliciteren.
In de op 21 maart 1911 gehouden kerkenraadsvergadering verzet ds. D. van Krevelen zich tegen de mogelijke opvoeding van protestantse kinderen door katholieke onderwijzers en acht hij de oprichting van een protestants christelijke school gewenst.
De overige leden van de kerkenraad komen niet met principiële bezwaren, doch spreken de vrees uit dat de kosten van bouw en onderhoud te hoog zullen oplopen. Besloten wordt voorlopig verdere ontwikkelingen af te wachten.
Op 23 november is men opnieuw bijeen. Ditmaal om te vernemen dat de bisschop de stichting van een katholieke school heeft goedgekeurd. Na breedvoerige beraadslagingen besluit men tot de oprichting van een vereniging tot stichting van een hervormde christelijke school. Deze vereniging is er nooit gekomen. Het duurt nog acht jaar voordat de zaak wederom aan de orde komt. Op 18 november 1919 besluit de kerkenraad tot de oprichting van een vereniging tot stichting en instandhouding van een hervormde school met de bijbel, aangesloten bij de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs *  .
De statuten van de vereniging worden goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 18 januari 1923 nr. 83 *  .
Hervormd bijzonder onderwijs in Lichtenvoorde is daarmee een feit geworden en de invloed van de kerkenraad in zekere zin hersteld.
In de buurtschap Vragender komt acht jaar later een soortgelijke ontwikkeling op gang. Als in oktober/november 1931 bekend wordt, dat de openbare school in Vragender wordt omgezet in een rooms katholieke lagere school, groeit onder de verontruste ouders het verlangen naar een eigen school.
De kerkenraad, zich bewust van haar verantwoordelijkheid, besluit tot de instelling van een commissie ad hoc voor de stichting van een school met de bijbel. In de commissie ad hoc nemen zitting de bestuursleden van de kort tevoren opgerichte vereniging tot stichting en instandhouding van een school met de bijbel. De kerkenraad verleent deze commissie volmacht om namens haar in alle zaken betreffende deze school op te treden *  .
Na de opstelling van de statuten besluit het bestuur van de nieuwe vereniging, bestaande uit ds. E. Jansen Schoonhoven, A. van Westerhuis, J.H. Beernink, G.J. Hillen en H.J. Vaags, koninklijke goedkeuring en erkenning als rechtspersoonlijkheid aan te vragen, hetgeen bij koninklijk besluit van 20 februari 1932 nr. 9 voor een tijdvak van 29 jaar wordt verleend *  .
Op 12 december 1935 wordt een bijeenkomst belegd, waarop door de kerkenraad, nadat een daartoe opgestelde akte van overdracht is ondertekend, het eigendom van de school met alle rechten en verplichtingen aan het bestuur van de eerdergenoemde vereniging wordt overgedragen: de bemoeienis van de kerkenraad met deze school is hiermee in formele zin beëindigd.
1.3.5. De orgeltrapper
1.4. Gedeponeerde archieven, hun bestaan en taken
1.5. Verantwoording van de inventarisatie
1.6. Naschrift januari 2003
1.7. Bijlagen van de inleiding; lijsten van personeelsleden
Inventaris
2.1. Archief van de kerkenraad
2.2. Archief van de kerkvoogdij
2.3. Gedeponeerde archieven
2.5. Aanhangsel
2.6. Aanvulling 2002
Kenmerken
Datering:
1625-2000
Beperking:
50 jaar gesloten
Zorgdrager:
Oost Gelre
Toegang:
inventaris
Auteur:
J. Seekles, H.G. Nijman
Beschrijving:
Godsdienst en levensbeschouwing
Gemeente:
Oost Gelre
Omvang:
7,00
Categorie:
Archiefvormer(s):