0648
Hervormde Gemeente Lichtenvoorde, 1625-2000
Inleiding
1.2. Een stichtingsgeschiedenis van kerkelijke gebouwen 1.2.1. Het kerkgebouw
De in 1496 voor de katholieke in-en omwonenden van Lichtenvoorde gestichte miskapel gaat in 1616 over naar de gereformeerde religie. Het gebouwtje verkeert ten tijde van de komst van ds. Th. Cuijminck in een slechte staat. Ondanks diverse uitgevoerde herstelwerkzaamheden (1600, 1627, 1645) was de miskapel zeer vervallen. Vanaf 1645 worden dan ook pogingen in het werk gesteld om-met gebruikmaking van de muren van het oude gotische koor-een nieuwe en grotere kerk te bouwen. De kerkmeesters worden in hun verlangen gesteund door de classis Zutphen die in 1648 een subsidie beschikbaar stelt. In 1651 constateren de kerkmeesters een geringe voortgang in de bouw van de kerk, alsmede dat de schuld vanwege nalatige betalingen van aangekochte materialen en arbeidsloon is opgelopen tot 6000 gulden.
In een aan graaf Georg Ernst van Limburg Bronckhorst gerichte bede verzoeken de kerkmeesters om financiële ondersteuning, waarbij zij voorstellen om tot openbare verkoop van enige percelen veldgrond over te gaan. Georg Ernst van Limburg Bronckhorst stemt hiermee in en op 18 april 1651, terwijl de goedheren en geërfden op 20 juni 1653 hun goedkeuring hechten aan de openbare verkoop en afgraving van enige percelen veldgrond in de buurtschappen Lievelde, Zieuwent en Vragender * . Naast de donaties van de classis Zutphen en van de heer, goedheer en geërfden van de heerlijkheid Lichtenvoorde hebbend e vele collectes onder de bevolking, alsmede de legaten van diverse families een bijdrage geleverd tot de bouw van de huidige hervormde kerk. In dit verband mogen worden genoemd de families Roeckes (1648), Avinck (1657), Sels (1677), ten Cate (1681), Grunewalt (1683) en Wolters (1686) * .
Het in-en exterieur van het kerkgebouw hebben in de loop der eeuwen diverse veranderingen/wijzigingen ondergaan. Door de geregelde inwerking van klimatologische verschijnselen zoals stormen, slagregens, onweders en hagelbuien en de voortschrijdende technologische ontwikkelingen was men meer dan eens genoodzaakt diverse herstellingen of restauraties uit te voeren. Deze werkzaamheden worden veelal bekostigd uit de opbrengst van collectes, verhuur van graven en zitplaatsen en kerkelijke heffingen of gesubsidieerd door wereldlijke en kerkelijke bestuursinstellingen, aangezien de eigen financiële middelen veelal ontoereikend blijken te zijn.
Onderstaand overzicht toont welke werkzaamheden ter verfraaiing of verbetering van het kerkgebouw zijn uitgevoerd: 1. De bouw van een preekstoel (1682); 2. De vervaardiging van kerkenraadskasten-en banken (1689); 3. Het plaatsen van klokken (1694, 1947), een uurwerk (1708, 1896), een duiventil (1817) en een bliksemafleider (1891) in, aan en op de toren; 4. Het plaatsen en repareren/restaureren van het orgel (1723, 1842, 1941, 1980); 5. Het vernieuwen en restaureren van de toren, torendak en torenspits (1762-1764, 1873, 1940); 6. Het aanbrengen van een kachel (1888), later een warmeluchtinstallatie (1927) en elektrisch licht (1929) in de kerk; 7. Het uitvoeren van herstel-en restauratiewerkzaamheden aan het dak, de ramen en de muren van het kerkgebouw (1678-1680, 1762-1764, 1860-1862, 1933-1936).
Door de kerkenraad en de kerkvoogdij wordt in september 1933 een verzoekschrift gericht aan de Algemene Synodale Commissie ter verkrijging van een toelage van 4990 gulden uit het Fonds voor Noodlijdende Kerken en Personen voor de restauratie van het kerkgebouw. In een schrijven van 21 september 1933 aan het Provinciaal College van Toezicht wordt de noodzaak van deze restauratie toegelicht: 1. Het interieur is niet in overeenstemming met de waardigheid van de eredienst. Het meubilair maakt een slordige indruk; 2. Het onverzorgde aanzien van het interieur doet afbreuk aan de waardigheid van de kerk in deze overwegend katholieke gemeente; 3. De indeling van de zitplaatsen is onpraktisch en het plaatsgebrek wordt door het toenemend kerkbezoek steeds nijpender; 4. De ruimte voor de viering van het avondmaal onder de preekstoel is absoluut onvoldoende; 5. De vloer in de gangpaden en de gaanderij naar het orgel behoeven dringend vernieuwing.
Het restauratieplan is ontworpen door de bekende kerkarchitect F.B. Jantzen uit Amsterdam. De kosten van de hieraan verbonden werkzaamheden worden door de architect geraamd op 9990 gulden. Dit gaat de financiële draagkracht van de gemeente ver te boven. Toch heeft men goede hoop door een maandelijkse kerkcollecte, een te houden bazaar en acties van jeugdverenigingen, een gift van de diaconie en door een af te sluiten lening een totaal bedrag van 5000 gulden in te zamelen, waardoor nog in een bedrag van 4990 gulden voorzien dient te worden. Als reactie op dit verzoek bericht het Classicaal Bestuur van Zutphen dat de predikanten D.C. Goedhart en H. Visser op 27 november een bezoek aan de kerk zullen brengen om zich van de noodzakelijkheid van deze steunaanvrage te overtuigen.
Beide predikanten concluderen dat financiële steun uit synodale fondsen dringend gewenst is, doch dat een aantal werkzaamheden uit bezuinigingsoverwegingen achterwege dienen te blijven. Ook de heer E.F.J. van Bruggen, kerkelijk bouwkundig raadsman, is van mening dat de restauratiekosten tot 8500 gulden dienen te worden teruggebracht. Tijdens een tweetal in oktober 1935 gehouden gecombineerde vergaderingen van de kerkenraad met de kerkvoogdij blijkt, dat men onder geen beding meer dan 8500 gulden wil besteden, daar dit in deze gemeente van "kleine luiden" niet verantwoord zou zijn. In dit bedrag moest alles zijn inbegrepen.
Het restauratieplan wordt nu als volgt gefinancierd: 1. De Algemene Synodale Commissie kent een subsidie van 1500 gulden toe (april 1935); 2. Het Provinciaal College van Toezicht stelt een bedrag van 400 gulden beschikbaar (december 1935); 3. De diaconie is bereid 1000 gulden bij te dragen; 4. De gemeenteleden hebben door grote offervaardigheid in ruim twee jaar tijd 2000 gulden ingezameld; 5. Giften en toezeggingen van particuliere personen en instanties leveren ongeveer 200 gulden op. Hierdoor beschikt men eind december 1935 over een totaal bedrag van 5100 gulden, zodat nog 3400 gulden ongedekt is. Ter verkrijging van dit resterende bedrag besluit het college van kerkvoogden en notabelen tot het aangaan van een geldlening ten bedrage van 3500 gulden met de heer D.J. Bloemers. Dit besluit wordt door het Provinciaal College van Toezicht goedgekeurd, zodat het financieringsplan rond is en de kerkrestauratie kan beginnen.
De restauratiewerkzaamheden worden onderhands aanbesteed. Deze aanbesteding vindt plaats in de consistorie op 15 januari 1936. Nog diezelfde dag stuurt ds. E. Jansen Schoonhoven de uitslag van de aanbesteding aan E.F.J. van Bruggen: 1. De verbouwing en overige restauratiewerkzaamheden worden voor f. 3049, 00 gegund aan aannemer D.W. te Mebel. De opdracht wordt hem op 20 januari verstrekt; 2. De glas-en verfwerkzaamheden worden voor f. 850, 00 gegund aan de firma Huinink en Heuzinkveld. De opdracht wordt hen op 17 januari bekendgemaakt; 3. De vervaardiging van het kerkmeubilair met bijbehorende betimmering wordt voor f. 2692, 00 gegund aan H. van Lochem. Ook aan hem wordt op 17 januari de opdracht verleend; 4. Herstel-en verplaatsingswerkzaamheden aan het orgel worden voor f. 850, 00 gegund aan de firma J. Reil uit Rotterdam. Deze opdracht wordt verstrekt op 7 februari. Gedurende de daaropvolgende maanden wordt er door de diverse aannemers en hun arbeiders volijver en enthousiasme aan de restauratie van het kerkgebouw gewerkt. Op vrijdag 3 april 1936 wordt het gerestaureerde kerkgebouw tijdens een volle eredienst plechtig ingewijd en wederom in gebruik genomen. *
Inventaris
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||