0648
Hervormde Gemeente Lichtenvoorde, 1625-2000
Inleiding
1.3. Over het kerkelijk personeel 1.3.1. De predikant en de hulppredikers
De aanstelling van de predikant geschiedt door de Heer of Vrouwe van de heerlijkheid, op voordracht van de kerkenraad en de gemeenteleden. In de 19e eeuw is de beroeping van de predikant een koninklijke collatie geworden. Bij besluit van 28 september 1814 no. 4 bepaalt koning Willem I dat in die gemeenten die tot de domeinen van de Staat behoren het collatierecht aan hem vervallen is. In een beroepingsgeval dient de gemeente zich te wenden tot de Secretaris van Staat voor de Binnenlandse Zaken die een voordracht van 1 of 2 personen zal doen. Gedurende de 20e eeuw wordt een beroeping voorbereid door een hoorcommissie uit de kerkenraad
Het traktement van de predikant bestaat in 1796 uit 525 gulden per jaar, dit salaris wordt door de rentmeester van de Geestelijke Goederen uitbetaald. Tevens ontvangt de predikant een bedrag van 50 gulden voor huur van de pastorie. Dit bedrag wordt later echter aan de diaconie overgegeven om een in 1793 uitgevoerde reparatie aan de pastorie te kunnen bekostigen. In 1814 worden door het landsbestuur pogingen aangewend om een eind te maken aan de wanbetaling van de predikanten ten tijde van het Frans gouvernement. Door de uitvaardiging van een Koninklijk Besluit inzake de betaling van traktementen, kinder-, school-en academiegelden aan predikanten tracht koning Willem I de hervormde gemeenten ertoe te bewegen aan de slechte salariëring van hun herders en leraren iets te doen.
De hervormde gemeenten wordt verzocht een kerkelijke commissie, bestaande uit leden van de gemeente-en kerkenraad, te formeren en om een tweetal opgaven in te zenden: a. een staat van door predikant in 1811, 1812 en 1813 uit 's lands kas ontvangen gelden; b. een staat van uit de gemeente, kerkelijke fondsen of vrijwillige bijdragen betaalde voorschotten ten behoeve van het predicantstraktement. Tijdens een op 8 februari 1814 gehouden vergadering komt de kerkelijke commissie tot de conclusie dat de salarisachterstand van de predikant over de jaren 1811, 1812 en 1813 is opgelopen tot een bedrag van 707 gulden en 8 stuivers. Er wordt besloten alvast 207 gulden hetzij door collecten, hetzij op andere wijze te voldoen.
Een paar dagen later stuurt burgemeester J.W. Roelvink, als voorzitter van de kerkelijke commissie, een brief aan de Commissaris-generaal voor de Binnenlandse Zaken. Daarin verzoekt hij om een subsidie van 500 gulden uit 's lands kas. Zijn verzoek is met redenen omkleed: - de hervormden zijn over het algemeen niet zeer bemiddeld; - er bestaan geen kerkelijke fondsen die het traktementstekort kunnen aanzuiveren; - de inkwartiering van bondgenoten en verlossers heeft grote onkosten met zich meegebracht; - door de vrijwillige intekening voor de oprichting van een armee is eveneens een aanmerkelijke financiële bijdrage geleverd.
De secretaris van Staat voor de Binnenlandse Zaken antwoordt in een brief van 18 november 1814 dat de verstrekking van de subsidie van 500 gulden nog in beraad wordt gehouden. In 1816 reclameert de kerkelijke commissie bij de Commissaris Generaal voor de Liquidatie met de Franse Kroon. Het is niet duidelijk of en wanneer het bedrag is uitgekeerd. Een tiental jaren later ontstaat er wederom onenigheid over het predikantstraktement. Een tweetal kampen bouwland, geheten de Haverkamp en de Bungelenkamp en sinds onheugelijke tijden bij de predikant in gebruik als een soort emolument, worden gelijk andere staatsdomeinen verkocht. De predikant richt zich in een rekest tot de koning met het verzoek hem voor het gemis van beide kampen schadeloos te stellen. Aan de predikant wordt een salarisverhoging van 130 gulden toegekend.
Als in 1855 een ligger van het predikantstraktement en emolumenten wordt opgesteld, bedraagt het rijkstraktement 830 gulden per jaar. Dit salaris wordt in de jaren 1892, 1927 en 1951 geleidelijk verhoogd. De kleine hervormde gemeente, wier grenzen overeenkomen met die van de burgerlijke gemeente Lichtenvoorde, is steeds door één predikant bediend. Het aantal hervormden, voornamelijk woonachtig in Lichtenvoorde en de buurtschap Vragender, is nooit erg hoog geweest. De aan de bediening verbonden werkzaamheden zijn slechts een aantal keren door een hulpprediker of vicaris verricht: - op 29 september 1939 wordt H. Stegeman voor 3 maanden als hulpprediker aangesteld; - in de oorlogsjaren hebben de hulppredikers J.R.N. Heidema en D. Groeneboer veel werkzaamheden van de toenmalige predikant J.C. van Dongen overgenomen, aangezien diens tijdelijke gevangenschap in de concentratiekampen Amersfoort en Vught, alsmede zijn taken ten behoeve van de geëvacueerden in de Classis Zutphen ten koste dreigde te gaan van de zielzorg in de hervormde gemeente; - tot slot vindt op 10 juli 1955 de kerkelijke bevestiging plaats van vicaris P.Post. Gedurende de tijdelijke afwezigheid van ds. A. van Heerden in Nederlands Indië heeft deze de hervormde gemeente geleid. Op 30 januari 1956 wordt van vicaris Post afscheid genomen.
Inventaris
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||