0648
Hervormde Gemeente Lichtenvoorde, 1625-2000
Inleiding
1.3. Over het kerkelijk personeel 1.3.2. De koster en de "verkoop" van het ambt
Naast die van schoolmeester is het kostersambt één van de oudste kerkelijke betrekkingen. Wanneer de betrekking voor het eerst wordt vervuld, is niet bekend, toch mag worden aangenomen dat deze functionaris al voor 1648 heeft bestaan. De aanstelling van de koster valt lange tijd (1778, 1844) onder het collatierecht van de heer of vrouwe der heerlijkheid. Nadien wordt de benoeming opgedragen aan het college van kerkvoogden of notabelen, die tevens verantwoordelijk zijn voor diens salariëring en instructie.
De koster is belast (geweest) met een scala van werkzaamheden: 1. het luiden der kerkklokken (1684), het overluiden der doden (1817); 2. het bijhouden van doop-, trouw-en lidmatenboeken (1677, 1772); 3. het bijhouden van doodboeken (1730); 4. het beheer van het doodlaken en de rouwmantels (1719); 5. het leiden van begrafenisstoeten (1937); 6. het aanzeggen van kerkelijke vergaderingen; 7. het gereedmaken van de avondmaalstafel voor de eredienst.
Het traktement van de koster bestaat uit de opbrengst van de zogenaamde kosterijgoederen, een deel van de inkomsten van de verhuur van de doodlakens en rouwmantels, een toelage voor het klokluiden, een toelage voor het dopen, trouwen en begraven, alsmede een jaarlijkse bijdrage ad 50 gulden door het ministerie van Financiën, uitmakende het zogenaamde rijkstraktement * . In de loop van de 20e eeuw is het kosterssalaris geleidelijk verhoogd. De betrekking van koster is geruime tijd met andere ambten verenigd geweest: 1. koster-kerkmeester (tot1823)-schoolmeester (tot 1845); 2. koster-voorlezer/zanger (tot 1912); 3. koster-organist (tot 1936).
Daarnaast zijn de kosterswerkzaamheden lange tijd door zogenaamde hulpkosters tegen een geringe vergoeding verricht. Deze situatie ontstaat in 1876 na het overlijden van koster J.D. Hoitink. Tijdens de op 16 mei daaropvolgend gehouden vergadering van kerkvoogden en notabelen wordt uit een 8-tal sollicitanten J.W. te Giffel als koster benoemd. Te Giffel verklaart de functie te aanvaarden. Hij blijkt zelfs genegen te zijn om afstand te doen van alle baten en inkomsten aan deze betrekking verbonden. Hij stelt hiervoor echter de volgende voorwaarden: - kerkvoogden vergunnen hem het aanstellen van een waarnemer in zijn functie; - kerkvoogden dienen de goederen en inkomsten van de koster voortaan te administreren. Het college van kerkvoogden en notabelen neemt met genoegen kennis van dit besluit en deelt mee de totale som van de baten en inkomsten, geraamd op 100 gulden, te bestemmen tot een extra toelage voor de predikant, ter verbetering van diens schrale traktement. Na het afleggen van een proeve van bekwaamheid wordt G.F. Heuzinkveld tot waarnemend koster aangesteld * . Deze situatie is vermoedelijk tot 1956 blijven bestaan.
Inventaris
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||