0648
Hervormde Gemeente Lichtenvoorde, 1625-2000
Inleiding
1.3. Over het kerkelijk personeel 1.3.3. De organist en de restauraties van het orgel
De muzikale begeleiding van het gezang van de gemeente ligt voor 1723 in handen van de schoolmeester, die tevens voorlezer en voorzanger is geweest. Dit blijkt in veel plaatsen in de Graafschap het geval te zijn, doch het gebruik van een orgel in de kerkdienst gaat in de loop van de 18e eeuw een steeds belangrijker rol innemen. Ook in de Lichtenvoordse gemeenschap wordt de aanschaf van een orgel overwogen. Tijdens de op 2 en 3 november 1722 gehouden kerkenraadsvergaderingen wordt over deze aangelegenheid overleg gevoerd. Men besluit tot het instellen van een tweetal commissies die de mogelijkheden tot aanschaf nader moeten onderzoeken. De eerste commissie bestaat uit ds. A. Monhemius en ouderling R. Planten, die zich ermee belasten het verzoek voor te leggen aan de officier, als representant van de heer van Lichtenvoorde.
De tweede commissie, die wordt samengesteld nadat de officier heeft toegezegd deze zaak mede te ondersteunen, bestaat uit ouderling D. van Leeuwen en gerichtskeurnoot J. Knoll. Zij reizen naar Wesel om Louisa Charlotta, rijksgravin van Schwerin en vrouwe van Lichtenvoorde, te bewegen haar goedkeuring aan de aanschaf te hechten. Na verkregen toestemming wordt op 16 november wederom een kerkenraadsvergadering belegd. Aan de orde is op welke wijze de benodigde gelden dienen te worden verkregen, temeer daar de kerkelijke fondsen hiertoe ontoereikend zijn. Na rijp beraad wordt besloten een collecte te houden onder de Lichtenvoordse bevolking en verklaren richter F.H. Stumph en ds. A. Monhemius zich bereid bezoeken te brengen aan naburige plaatsen om aldaar te collecteren. De in Lichtenvoorde gehouden collecte levert 39 gulden op, de ten noorden en zuiden van Lichtenvoorde gelegen plaatsen dragen 187 gulden bij, terwijl de vrouwe van Lichtenvoorde 134 gulden schenkt * .
Op 16 maart 1723 wordt voor een bedrag van 350 gulden door A. Stumph, organist te Aalten, een orgel gekocht van D. van Wijnbergen. Het orgeltje wordt op 19 mei door de orgelmaker van Vreden in de kerk geplaatst en tot genoegen van de verzamelde gemeenteleden door organist Stumph bespeeld. Als eerste organist wordt J. Schrader jr. aangesteld. Uit de rentmeestersrekeningen van de heerlijkheid Lichtenvoorde blijkt, dat de organist in 1763een bedrag van 15 gulden uit de heerlijkheidsfinanciën ontvangt * . In het begin van de 19e eeuw heeft deze situatie zich gewijzigd: de organist is dan een kerkelijk personeelslid geworden, die door de kerkvoogdij wordt aangesteld en betaald. Ds. A. Carlier verklaart in 1796 dat de organist geen traktement ontvangt, doch een vrijwillige gift uit de diaconiekas van 20 gulden, terwijl hem door een voormalig heer en de geërfden der heerlijkheid een klein kampje land tot eigen onderhoud is geschonken.
Een honderdtal jaren later is er nog weinig veranderd. Als in 1892 J. Heuzinkveld GFzn. En J.W. Straks Gzn. Worden aangesteld tot organist bedraagt hun gezamenlijk traktement 52 gulden en zijn zij naast het om beurten bespelen van het orgel tevens belast met het schoonmaken van de kerk, het opsteken en onderhouden van de kerklampen, het aansteken van de kachel en het schoonmaken van de watergeul en de straat naar het kerkhof. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat organist Straks in 1904 een verzoek om traktementsverhoging tot de kerkenraad richt. In zijn brief stelt Straks dat een forse salarisverhoging noodzakelijk is en dat hij tevens behoefte heeft aan een schriftelijke aanstellingsbrief annex instructie. Tijdens een op 22 oktober 1906 gehouden vergadering van kerkvoogden en notabelen wordt langdurig gesproken over de inhoud van de instructie voor de organist, waarin diens werkzaamheden en traktement zijn vastgelegd. Het traktement wordt bepaald op 75 gulden per jaar, terwijl voor iedere orgelbespeling tijdens een kerkelijke huwelijksinzegening een vergoeding van 50 cent zal worden uitbetaald. Het overlijden van Straks in 1912 stelt de kerkenraad voor een probleem met betrekking tot de opvolging.
De koster/voorlezer J. Heuzinkveld is de enige in de gemeente die bekwaam genoeg wordt geacht om het orgel te bespelen. Deze bevordering van Heuzinkveld tot eerste organist, nadat hij sinds 1892 de post van tweede organist had vervuld, leidt formeel tot de vereniging van de ambten van koster en organist, terwijl zij tevens een geschikte aanleiding vormt om het voorlezers-en voorzangersambt af te schaffen. Beide ambten blijven verenigd tot 1936. Tijdens een op 5 oktober van dat jaar gehouden vergadering van kerkvoogden en notabelen wordt door Heuzinkveld de betrekking van koster/organist opgezegd. Men acht een combinatie van beide betrekkingen niet langer gewenst, zodat in de kerkbode en in de Lichtenvoordse Courant afzonderlijke advertenties voor de vervulling van deze ambten worden geplaatst. In november komt Heuzinkveld terug op zijn eerder gedane ontslagaanvraag en geeft te kennen de functie van organist nog wel te willen blijven uitoefenen. Hoewel het college van kerkvoogden en notabelen deze gang van zaken betreurt, meent zij toch aan Heuzinkveld's wens gevolg te moeten geven en hem wederom te benoemen. Na een sollicitatieprocedure wordt in de vacature van kosten de heer G.J. Hondorp benoemd, waardoor de scheiding van deze betrekkingen formeel wordt aangebracht * .
Het in 1723 in de kerk geplaatste orgeltje, waarvan wordt aangenomen dat het een reeds gebruikt instrument is geweest, heeft in de loop der jaren verscheidene kleine reparaties, grote onderhoudsbeurten en complete restauraties of uitbreidingen ondergaan. Uit onder meer de kerkvoogdijrekeningen blijkt, dat het eerste orgeltje, waarvan de herkomst niet bekend is, gedurende de periode 1751-1772 is onderhouden door Th. Martens uit Vreden en gedurende de 19e eeuw door diverse timmerlieden en orgelmakers, waaronder G. Venderbosch, G.J. Vriesen en W. Exkorn. Naast de vele kleine werkzaamheden, bijvoorbeeld stemming of balgreparaties, worden in 1842, 1936, 1941 en 1982 een aantal restauraties uitgevoerd. Deze werkzaamheden, waardoor het orgelaanzicht in de loop der jaren veranderingen heeft ondergaan, worden respectievelijk verricht door J. Ambrost (1842) en de firma's Reil uit Rotterdam (1936) en Flentrop uit Zaandam (1941 en 1982). Nader onderzoek met betrekking tot de orgeltechnische wijzigingen is niet verricht * .
Het orgel, kort voor de demontage in 1935. Inv. nr. 367
De toestand van het orgel tussen 1936 en 1941. Inv. nr. 367
De situatie van het orgel na de vergroting door de fa. Flentrop in 1941,1942. Inv. nr. 367
Inventaris
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||