0648
Hervormde Gemeente Lichtenvoorde, 1625-2000
Inleiding
1.4. Gedeponeerde archieven, hun bestaan en taken 1.4.3. De commissie tot waarneming van de belangen der hervormden *
Na afloop van de eredienst van 20 november 1795 verzoekt ds. A. Carlier de gemeenteleden nog even in de kerk te blijven. Tijdens deze samenkomst tracht Carlier de gemeenteleden ervan te overtuigen dat de instelling van een commissie tot waarneming van de belangen noodzakelijk is, een poging die een maand eerder was mislukt. Carlier roept de gemeenteleden op om uit een nominatie van kundige en godsdienstlievende personen een commissie te kiezen, wiens werkzaamheden zou moeten zijn alles aan te wenden ten einde het wettig eigendom van kerk en pastorie te bewijzen. De instelling van een dergelijke commissie is gewenst, omdat de rooms katholieke parochie pogingen onderneemt om in het bezit van kerk en pastorie te worden gesteld.
In de commissie zouden alle leden van de kerkenraad zitting moeten krijgen, aangevuld met de gemeenteleden J. Wijnveld, R. Buijnink en J. de Jong. Dit voorstel wordt door de gemeenteleden in eerste instantie geaccepteerd, doch Wijnveld verzoekt om van wege hoge ouderdom te mogen worden ontzien, waarop het voorstel wordt verworpen. Uiteindelijk wordt besloten, dar de commissie zal bestaan uit de predikant, de ouderling W. Breukelaar en de diaken G. Dammers en G.J. Keusink. Op de 21e november houdt de commissie een oriënterende werkbespreking, waarbij de werkzaamheden onderling worden verdeeld. De eerste vergadering van de commissie wordt gehouden op 22 november 1798 ten huize van R. Buijnink. Daarna wordt dagelijks vergaderd tot 15 januari 1799.
Daarvoor had op kerstavond 24 december een bespreking plaatsgevonden met J.W. te Welscher, A. Balster, A. Kruip, H. Siebelder en H. Hulshof als gevolmachtigden van de rooms katholieke parochie. Deze bespreking levert geen schikking op, doch leidt tot een vruchteloos herhalen en een verharding van standpunten, waarbij zelfs de suggestie wordt gewekt als zouden kerk en pastorie met geweld in bezit genomen worden. De sfeer is gespannen. Toch slaagt de commissie er uiteindelijk in te bewijzen dat kerk en pastorie rechtmatig bezit zijn van de hervormde gemeente. Een situatie waarin ook de rooms katholieke parochie voorlopig berust.
In de jaren 1801, 1809 en 1810 wordt de hervormde gemeente wederom het eigendomsrecht van kerk en pastorie betwist. Als gecommitteerden of vertegenwoordigers van de hervormde gemeente treden op de heren R. Buijnink, G.J. Rensink en G.H. Schepers. Er volgen vele besprekingen te Groenlo en Arnhem met de gemachtigden van de rooms katholieke parochie, die worden geleid door bemiddelaar Verheull, die namens de landdrost van Gelderland met de afhandeling van geschillen met betrekking tot kerkgebouwen is belast. Ook ditmaal wordt ten gunste van de hervormde gemeente beschikt.
Inventaris
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||