erfgoedcentrum achterhoek liemers

Archief in beeld

Het erve Roerdink in de Winterswijkse buurtschap Woold, in 1462 'Roderdinck' geheten, was reeds in de middeleeuwen een belangrijk hofgoed van de heerlijkheid Bredevoort. De bewoners waren horig, door verplichtingen gebonden aan hun hofgoed, maar aldus gerechtigd om dit te bewonen, van een deel van de opbrengst in hun levensonderhoud te voorzien en het hofgoed door te geven aan één van hun kinderen. De tegenprestatie bestond uit jaarlijkse afdrachten in graan, vee en geld aan de heer, o.a. hand- en spandiensten, betaling van 'leges' bij huwelijk en erfopvolging en beslag op een deel der nalatenschap bij overlijden. De familie Roerdink wist door een verstandige belegging van eigen inkomsten zich op te werken tot één der invloedrijkste geslachten in het kerspel Winterswijk. In 1468 benoemde de heer van Gemen als toenmalige pandheer van Bredevoort de bewoner van het hofgoed Roerdink tot erfelijk 'tegeder' of raadsheer in het gericht van de onder Bredevoort ressorterende hof te Miste. Sedertdien waren Roerdink's betrokken bij de toetsing van de rechten en plichten van hun mede-hofhorigen aan het zg. Lohnse hofrecht.

Om hun maatschappelijke positie te benadrukken tooiden Roerdink en enkele andere welgestelde hofhorigen in de Bredevoortse kerspelen Winterswijk en Aalten zich met de titel 'scholte', hoewel zij niet de voormalige ambtelijke functie bekleedden, waarbij die titel oorspronkelijk behoorde. Zij werden wel aangeduid als de 'hofscholten'. Eind 16e eeuw geraakte de familie in financiële en opvolgingsproblemen. De toenmalige scholte Roerdink had zich in de nabije stad Bocholt gevestigd en trachtte het hofgoed over te dragen aan zijn zwager scholte Mierdinck. Na zijn overlijden draaide de weduwe de zaak terug en droeg het erve Roerdink over aan haar zoon. In de eeuwen daarna wisten diens nazaten door een verstandige huwelijkspolitiek en belegging in onroerend goed het familiebezit weer gestaag uit te breiden.

Werden huwelijksbanden aanvankelijk aangeknoopt met leden van, liefst welgestelde, families in het Woold en andere Winterswijkse buurtschappen, al vroeg zocht men ook in de omliggende Achterhoekse kerspelen, in de aangrenzende provincie Overijssel en in het Westfaalse Munsterland naar huwelijkspartners. Naast het beheer van het hofgoed hielden opeenvolgende scholten Roerdink zich bezig met de aankoop en verwerving van onroerend goed onder Winterswijk en in de omliggende kerspelen aan weerszijden van de landsgrens, de uitoefening van hun markenrechten, de handel in landbouw- en veeteeltprodukten en hout en de exploitatie van koren- en oliemolens. De opbrengsten werden niet alleen belegd in vast goed, maar ook tegen rente uitgeleend. Generaties lang vochten zij ook in langdurige juridische processen hardnekkig voor hun rechten en inkomsten. Voor het ambtsbestuur te Bredevoort was scholte Roerdink als rotmeester verantwoordelijk in zijn deel van de buurtschap Woold voor de organisatie van hand- en spandiensten en de inzameling van afdrachten. Het einde van de horigheid in 1795, dat hen de bevrijding bracht van de jaarlijkse verplichtingen en leveranties aan de Bredevoortse hofheer, en de grootschalige grondverwerving bij de markenverdelingen in de 19e eeuw brachten het geslacht eveneens grote welstand. Volgens overlevering bezat scholte Roerdink tenslotte 86 boerderijen, waarvan in het bestand een 30-tal is terug te vinden.

Het laatste scholtenechtpaar Engelbartus (II) Roerdink (1882-1961) en Johanna Hendrika Breukink (1884-1970) was kinderloos. Met de afwikkeling van hun nalatenschap, die na veel wikken en wegen haar beslag kreeg in 1988, viel het goederencomplex uiteen. Het scholtenhuis 'Roerdink' werd, met bedrijfsopstallen en enkele onderhorige boerderijen, verworven door de bewoners, de familie Huetink, die het goed sedertdien exploiteert als zoogkoeienbedrijf en boerderijcamping, bed & breakfast / groepsaccommodatie.

Bekijk de archieftoegang.